Taal

Woordenschat

21 onderwerpen, van eerste kennismaking tot beheersing. De groepen bij elk onderwerp zijn een richtlijn.

Je kind breidt zijn woordenschat uit: het vraagt naar woorden die het niet kent, begrijpt tegenstellingen, herkent hoe woorddelen aanwijzingen geven over de betekenis, en gebruikt nieuwe woorden in het eigen spreken en schrijven.

Je kind leert hoe woorden zijn opgebouwd en met elkaar samenhangen: het ontdekt hoe stamwoorden veranderen met verschillende uitgangen (zoals look/looks/looked) en leert woorden te omschrijven door te vertellen tot welke categorie ze horen en wat hun belangrijkste kenmerken zijn.

Je kind leert hoe taalgebruik verandert afhankelijk van met wie het praat en in welke situatie, en ontdekt hoe woorden met elkaar samenhangen via gedeelde stammen en woorddelen.

Je kind leert figuurlijk taalgebruik te begrijpen: het herkent wanneer woorden niet letterlijk bedoeld zijn, en interpreteert veelgebruikte uitdrukkingen en gezegdes in verhalen en gesprekken.

Je kind ontwikkelt geavanceerde taalvaardigheden: het begrijpt figuurlijke taal zoals metaforen en vergelijkingen, leert woordrelaties via synoniemen en antoniemen, en gebruikt Griekse en Latijnse woorddelen om de betekenis van onbekende woorden te achterhalen.

Je kind breidt de woordenschat verder uit: het leert welke woorden bij welke situatie passen, en ontdekt dat taalgebruik verandert afhankelijk van of je formeel of informeel spreekt.