Vakwoordenschat bij verschillende vakken
Verwerft en gebruikt correct de vak- en schoolwoordenschat die hoort bij onderwerpen op zijn of haar niveau, inclusief woorden die een precieze betekenis aangeven in informatieve teksten bij verschillende vakken
Je kind beheerst dit als het...
- Herkent en omschrijft schoolwoorden (zoals vergelijken, tegenover elkaar zetten, samenvatten, bewijs, interpreteren) die bij meerdere vakken gebruikt worden, en gebruikt deze woorden correct in gesprek en in geschreven teksten
- Achterhaalt de betekenis van vakwoorden uit teksten over natuur, maatschappij of rekenen (zoals ecosysteem, democratie, teller) met behulp van de context, een woordenlijst of wat het al weet
- Gebruikt net geleerde school- en vakwoorden in zinnen die laten zien dat het de precieze betekenis en de juiste situatie begrijpt
Vraag eens aan je kind
Pikt je kind bij een onderwerp over natuur of geschiedenis de bijbehorende vakwoorden op en gebruikt je kind ze ook correct, zoals "erosie," "parlement" of "leefgebied"?
Eerst dit
- Vragen stellen over nieuwe woorden Het opbouwen van vaktaal en schooltaal bouwt voort op de gewoonte om woordbetekenissen te bespreken en nieuwe woorden te koppelen aan woorden die je kind al kent.
- Woorden omschrijven Om moeilijke, vakspecifieke woorden te kunnen uitleggen, moet je kind eerst woorden kunnen omschrijven aan de hand van categorie en kenmerken.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Bewijs uit verhalen gebruiken Om bewijs uit literaire en informatieve teksten te gebruiken, heeft je kind vaktaal nodig om over dat bewijs te kunnen redeneren.
- Gevoelens en motieven van personages afleiden Om conclusies te trekken uit ingewikkelde teksten heeft je kind academische woorden nodig om te kunnen redeneren over bewijs en argumentatie.
- Woordenschat: historisch denken Het aanleren van vakwoorden voor historisch denken (bron, vooringenomenheid, chronologie, onderbouwen) bouwt voort op de opbouw van academische woordenschat bij het vak Engels.