Stamwoorden en woordvormen
Herkent veelvoorkomende Engelse stamwoorden en hun woordvormen (bijvoorbeeld look/looks/looked/looking), gebruikt voor- en achtervoegsels als aanwijzing voor de betekenis van een woord en begrijpt hoe achtervoegsels zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden vormen
Dit onderwerp gaat specifiek over het Engels.
Je kind beheerst dit als het...
- Herkent 'play' als het stamwoord in 'played', 'playing' en 'player'
- Legt uit dat het achtervoegsel '-ful' in 'careful' 'vol zorg' betekent
- Gebruikt '-ness' en '-er' om van stamwoorden zelfstandige naamwoorden te maken: 'sad → sadness', 'teach → teacher'
Vraag eens aan je kind
Als je kind woorden ziet zoals "play," "plays," "played" en "playing," begrijpt je kind dan dat ze allemaal van hetzelfde stamwoord komen, en kan het elke vorm correct gebruiken?
Eerst dit
- Woorddelen als aanwijzing Kennis van stamwoorden en verbuigingen bouwt voort op het besef van woordopbouw dat je kind al in leerjaar 1 opdeed.
- Achtervoegsels Spellingregels voor Engelse achtervoegsels versterken het inzicht in hoe voor- en achtervoegsels woorden veranderen.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Woordfamilies en stamwoorden Woordfamilies bouwen voort op de stamwoorden en verbuigingen die je kind eerder al heeft geleerd.