Geavanceerd figuurlijk taalgebruik
Begrijpt en interpreteert figuurlijk taalgebruik, woordrelaties en nuances in woordbetekenis, waaronder toespelingen, ironie, woordspelingen, oxymorons en uitgebreide metaforen, en maakt onderscheid tussen gevoelswaarde en letterlijke betekenis bij het analyseren of kiezen van woorden.
Je kind beheerst dit als het...
- Legt het verschil in gevoelswaarde uit tussen woorden met een vergelijkbare letterlijke betekenis (bijvoorbeeld 'thrifty' versus 'stingy' versus 'economical')
- Herkent ironie of een toespeling in een tekst en legt uit wat dit toevoegt aan de betekenis
- Analyseert een uitgebreide metafoor in een alinea of gedicht en legt uit hoe deze een idee verder uitwerkt
Vraag eens aan je kind
Als je kind een gedicht of roman leest waarin de schrijver ironie, een woordspeling of een onverwachte vergelijking gebruikt, kan je kind dan uitleggen welk effect dit heeft en waarom de schrijver voor die woorden koos?
Eerst dit
- Beeldspraak en stijlfiguren Om beeldspraak op een dieper niveau te analyseren, moet je kind eerst kunnen analyseren waarom een schrijver bepaalde woorden kiest in een tekst.
- Hoe taalkeuzes de lezer beïnvloeden De genuanceerde kijk op beeldspraak in de onderbouw van het voortgezet onderwijs bouwt voort op het beoordelen van beeldspraak dat je kind al op de basisschool heeft geleerd.
- Tegenstellingen en synoniemen Het onderscheid tussen connotatie en denotatie bouwt voort op de kennis van tegenstellingen en synoniemen die je kind eerder op de basisschool heeft opgedaan.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.