Nuances in betekenis
Nuanceverschillen herkennen tussen werkwoorden die op elkaar lijkende handelingen beschrijven en tussen bijvoeglijke naamwoorden met een verschillende intensiteit; woorden koppelen aan het gebruik ervan in het dagelijks leven
Je kind beheerst dit als het...
- Vergelijkt woorden met een vergelijkbare betekenis door ze uit te beelden (bijvoorbeeld 'walk', 'march', 'strut', 'prance')
- Zet bijvoeglijke naamwoorden op volgorde van intensiteit (bijvoorbeeld big, huge, gigantic)
- Koppelt woorden aan eigen ervaringen (bijvoorbeeld benoemen welke dingen op school 'colourful' zijn)
Vraag eens aan je kind
Merkt je kind het verschil tussen woorden met een vergelijkbare betekenis, bijvoorbeeld dat "scorching" sterker is dan "warm", of dat "trotted" iets anders is dan "sprinted"?
Eerst dit
- Woorden sorteren en categoriseren Categoriseren helpt je kind om nuances in betekenis te begrijpen.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Tegenstellingen en synoniemen Werken met synoniemen en tegenstellingen bouwt voort op het aanvoelen van nuances in betekenis: je kind moet eerst kunnen onderscheiden hoe sterk woorden zijn, voordat het woorden systematisch met elkaar kan verbinden via synoniemen en tegenstellingen
- Beeldend en zintuiglijk taalgebruik Gevoel voor nuances in betekenis helpt je kind om literaire woordkeuzes te waarderen.
- Letterlijke en figuurlijke taal Het begrijpen van figuurlijke taal hangt samen met het kunnen onderscheiden van nuances in betekenis.