Sociaal-emotionele ontwikkeling › Zelfkennis
groep 2 t/m 6richtlijnWoordenschat: jezelf
Kent en gebruikt woorden over zelfreflectie, zoals zelfbewustzijn, reflecteren, patroon, trigger, aanname, impact, perspectief en opmerken, en begrijpt dat precieze woorden voor deze innerlijke ervaringen het makkelijker maken om ze te begrijpen en erover te praten
Je kind beheerst dit als het...
- Gebruikt woorden als 'reflecteren', 'patroon' en 'trigger' op de juiste manier bij het beschrijven van zijn of haar eigen gedrag, bijvoorbeeld: 'Ik zie een patroon: ik word gefrustreerd als ik moet haasten'
- Legt in eigen woorden uit wat 'zelfbewustzijn' betekent en geeft een persoonlijk voorbeeld
- Gebruikt het woord 'perspectief' op de juiste manier, bijvoorbeeld: 'Vanuit mijn perspectief voelde het oneerlijk, maar ik kan ook hun kant zien'
Vraag eens aan je kind
Kan je kind na een lastig moment, zoals ruzie met een vriend(in) of een frustrerende taak, vertellen wat er gebeurde met woorden als 'trigger' of 'reflecteren', waarmee hij of zij laat zien na te denken over zijn of haar eigen reactie in plaats van alleen te kijken naar wat de ander deed?
Daarna verder met
- Gevoelens versus gedrag Om het verschil tussen gevoelens en gedrag te begrijpen, heeft je kind woorden nodig om beide apart te kunnen benoemen en herkennen.
- Je gevoelens benoemen Om gevoelens op te merken en te benoemen, heeft je kind eerst de basiswoorden voor zelfbewustzijn en reflectie nodig.
- Je impact op anderen Om na te denken over de invloed van zijn gedrag op anderen, heeft je kind woorden nodig zoals 'invloed', 'perspectief' en 'reflecteren'.
- Patronen in je eigen reacties Om patronen in zichzelf op te merken, moet je kind eerst de begrippen 'patroon', 'trigger' en 'reflecteren' kennen.
- Twijfelen aan je eerste indruk Om eigen aannames in twijfel te trekken, moet je kind eerst de begrippen 'aanname', 'vooroordeel' en 'perspectief' precies kennen.