Rekenen › Optellen en aftrekken
groep 3richtlijnOptellen en aftrekken tot 20
Tot 20 optellen en aftrekken met strategieën zoals aanvullen tot 10, een getal opsplitsen via het tiental, en gebruikmaken van bekende rekenfeiten
Je kind beheerst dit als het...
- Lost 8 + 6 op door eerst aan te vullen tot 10: 8 + 2 + 4 = 14
- Lost 13 − 4 op door het getal op te splitsen: 13 − 3 − 1 = 9
- Gebruikt een bekend rekenfeit (8 + 4 = 12) om te bepalen dat 12 − 8 = 4
Vraag eens aan je kind
Kan je kind, bij het uitrekenen van '8 + 6', de 6 opsplitsen in 2 + 4, de 2 gebruiken om tot 10 aan te vullen en dan de overgebleven 4 erbij optellen tot 14?
Eerst dit
- Aanvullen tot 9 Om aan te vullen tot 10 moet je kind eerst de vriendjes van 10 (sommen die samen 10 zijn) kennen.
- Vlot optellen en aftrekken tot 10 Rekenstrategieën voor sommen tot 20 bouwen voort op vlot rekenen met sommen tot 10.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Optellen tot 100 Optellen tot 100 bouwt voort op de rekenstrategieën die je kind al kent van optellen tot 20, nu toegepast op grotere getallen
- Vlot optellen en aftrekken Sommen tot 20 vlot uit het hoofd kennen bouwt voort op strategisch rekenen binnen 20.
- Vlot optellen en aftrekken tot 20 Vlot rekenen tot 20 vereist dat je kind eerst kan optellen en aftrekken tot 20 met rekenstrategieën.
- Patronen herkennen en doortrekken Het afleiden van sommen tot 20 uit bekende feiten (bijna-dubbelen, aanvullen tot tien) oefent het herkennen van patronen
- Vraagstukken met meerdere stappen oplossen Om een aanpak te kiezen voor optellen tot 20, moet je kind kunnen plannen en aanpakken beoordelen.