Natuur en techniek › Stoffen en materialen
groep 2richtlijnEigenschappen van materialen beschrijven
Eenvoudige natuurkundige eigenschappen van alledaagse materialen beschrijven, zoals hard/zacht, rekbaar/stijf, glanzend/mat, ruw/glad, waterdicht/absorberend, doorzichtig/ondoorzichtig.
Je kind beheerst dit als het...
- Minstens vijf eigenschapswoorden correct gebruiken: hard, zacht, rekbaar, glanzend, ruw, glad, doorzichtig, waterdicht
- De eigenschappen van drie verschillende materialen beschrijven met minstens twee eigenschapswoorden per materiaal
- Uitleggen waarom een eigenschap ergens toe doet (bijvoorbeeld: 'waterdicht betekent dat er geen water doorheen sijpelt')
Vraag eens aan je kind
Kan je kind verschillende voorwerpen oppakken en de eigenschappen ervan beschrijven, zoals 'dit is glad en glanzend' of 'dit is ruw en buigzaam'?
Eerst dit
- Alledaagse materialen benoemen Je kind moet materialen kunnen benoemen voordat het de eigenschappen ervan kan beschrijven.
- Woorden voor de toestanden van stoffen Het beschrijven van de eigenschappen van materialen maakt gebruik van de woorden vaste stof, vloeistof en gas die je kind eerder leerde bij het onderdeel taal over toestanden van materie.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- De vorm van vaste stoffen veranderen Je kind moet eerst de eigenschappen van materialen kennen voordat het kan onderzoeken hoe hun vorm verandert
- Materialen groeperen Je kind moet eigenschappen eerst kunnen beschrijven voordat het ze kan gebruiken om materialen te groeperen.
- Doorzichtig, halfdoorzichtig & ondoorzichtig Kennis van materiaaleigenschappen zoals doorzichtig en ondoorzichtig helpt je kind bij het onderzoeken van licht.