Natuur en techniek › Stoffen en materialen
groep 2 t/m 3richtlijnWoorden voor de toestanden van stoffen
De drie toestanden van stoffen, vaste stof, vloeistof en gas, benoemen en van elkaar onderscheiden met woorden voor eigenschappen zoals hard, stijf, dun, stroomt, houdt zijn vorm en vult de hele houder; 'toestandsverandering' gebruiken om te beschrijven wat er gebeurt als materialen verwarmd of afgekoeld worden
Je kind beheerst dit als het...
- Sorteert een reeks alledaagse materialen terecht als vaste stof, vloeistof of gas en geeft daar steeds een reden voor
- Gebruikt de woorden vaste stof, vloeistof en gas op de juiste manier bij het beschrijven van alledaagse stoffen
- Gebruikt 'toestandsverandering' om te beschrijven wat er gebeurt als ijs smelt of water kookt
Vraag eens aan je kind
Als je wijst naar water, ijs en stoom uit een waterkoker, kan je kind dan elk daarvan juist een vloeistof, een vaste stof of een gas noemen, en die woorden vanzelfsprekend gebruiken?
Daarna verder met
- Vaste stoffen, vloeistoffen en gassen Om materialen te vergelijken en in te delen als vast, vloeibaar of gasvormig, moet je kind deze drie termen kennen.
- Verwarmen en afkoelen Toestandsveranderingen beschrijven en meten vereist dat je kind de woorden 'vast', 'vloeibaar' en 'gas' kent, en de term 'toestandsverandering'
- Eigenschappen van materialen beschrijven Het beschrijven van de eigenschappen van materialen maakt gebruik van de woorden vaste stof, vloeistof en gas die je kind eerder leerde bij het onderdeel taal over toestanden van materie.