Rekenen › Tellen en hoeveelheden
groep 1 t/m 2richtlijnEén-op-één tellen
Bij het tellen van voorwerpen hoort bij elk voorwerp precies één telwoord
Je kind beheerst dit als het...
- Wijst of raakt elk voorwerp precies één keer aan terwijl het de telwoorden zegt
- Slaat geen voorwerpen over en telt niets dubbel bij het tellen van een groep
- Herkent een fout wanneer iemand een voorwerp twee keer telt
Vraag eens aan je kind
Als je kind een stapel druiven telt, raakt je kind dan elk druifje precies één keer aan bij ieder getal dat het zegt, zonder er een over te slaan of dubbel te tellen?
Daarna verder met
- Hardop tellen tot 100 Eén-op-één-tellen vereist dat je kind de volgorde van de telrij kent.
- Hoeveel zijn het er in totaal? Het besef dat het laatste getal het totale aantal aangeeft, bouwt voort op één op één tellen: je kind moet eerst goed kunnen tellen om te snappen dat het laatste getal vertelt hoeveel het er zijn
- Voorwerpen tellen tot 20 Om voorwerpen te tellen en de vraag 'hoeveel zijn het?' te beantwoorden, moet je kind elk voorwerp één voor één kunnen aanwijzen en tellen.