De kansschaal van 0 tot 1
Begrijpt kans als een getal tussen 0 (onmogelijk) en 1 (zeker); plaatst gebeurtenissen op de kansschaal; drukt kansen uit als breuk, kommagetal en percentage
Je kind beheerst dit als het...
- Plaatst gebeurtenissen op een getallenlijn van 0 (onmogelijk) tot 1 (zeker), en geeft de positie aan als breuk of kommagetal
- Legt uit dat een kans van 0,5 'evenveel kans' betekent en legt de link met het woord 'waarschijnlijk'
- Zet gewone taal (zoals 'heel onwaarschijnlijk') om naar een positie op de schaal van 0 tot 1, en andersom
Vraag eens aan je kind
Kan je kind dezelfde kans schrijven als breuk, kommagetal en percentage, bijvoorbeeld door te weten dat evenveel kans ½, 0,5 en 50% is?
Eerst dit
- Kans als breuk De formele kansschaal van 0 tot 1 legt vast wat je kind rond zijn negende of tiende al leerde: even grote kansen weergeven met breuken.
- Breuken vergelijken Om kansen als breuk, decimaal getal en percentage uit te drukken, moet je kind breuken kunnen vergelijken en ordenen: een vaardigheid die wordt opgebouwd bij het onderdeel Breuken.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Eenvoudige kans berekenen Kans berekenen met gunstige en mogelijke uitkomsten vereist dat je kind kans al begrijpt als een getal tussen 0 en 1.
- Kansen tellen op tot 1 De complementregel P(niet A) = 1 - P(A) vereist dat je kind kans ziet als een getal tussen 0 en 1.