Eenvoudige kans berekenen
Berekent de kans op een eenvoudige gebeurtenis met even waarschijnlijke uitkomsten met de formule: kans = aantal gunstige uitkomsten gedeeld door het totaal aantal mogelijke uitkomsten; drukt het resultaat uit als breuk in de eenvoudigste vorm; past dit toe bij dobbelen, trekken uit een zak en andere eenvoudige kanssituaties
Je kind beheerst dit als het...
- Berekent de kans op het trekken van een blauw knikkertje uit een zak met 3 blauwe en 7 rode knikkers als 3/10
- Gebruikt de formule P(gebeurtenis) = gunstige uitkomsten gedeeld door totaal aantal uitkomsten om minstens drie verschillende opgaven op te lossen
- Legt uit waarom de kans groter wordt als het aantal gunstige uitkomsten toeneemt
Vraag eens aan je kind
Als er 3 rode en 7 blauwe ballen in een zak zitten, kan je kind dan uitrekenen wat de kans is om een rode te pakken, en dit uitdrukken als breuk in de eenvoudigste vorm?
Eerst dit
- De kansschaal van 0 tot 1 Kans berekenen met gunstige en mogelijke uitkomsten vereist dat je kind kans al begrijpt als een getal tussen 0 en 1.
- Even grote kansen De kansformule geldt alleen bij gebeurtenissen met even grote kansen: dit begrip moet eerst goed beheerst worden.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- De kansschaal De formele behandeling van kans als schaal van 0 tot 1, met eerlijkheid en even grote kansen, in het voortgezet onderwijs (KS3) bouwt voort op wat je kind oefende bij de rekenopgaven op 10 tot 11-jarige leeftijd.
- Experimenteel versus theoretisch Om experimentele resultaten te vergelijken met theoretische voorspellingen, moet je kind eerst de theoretische kans kunnen berekenen.
- Kansen tellen op tot 1 De complementregel toepassen is makkelijker zodra je kind eenvoudige kansen kan berekenen en ziet dat gunstige en ongunstige uitkomsten samen alle mogelijkheden dekken.