Algebraïsche vergelijkingen opstellen
Zet vraagstukken over een onbekend getal om in een algebraïsche vergelijking met een letter voor de onbekende; vertaalt woordvraagstukken naar vergelijkingen
Je kind beheerst dit als het...
- Schrijft 'ik denk aan een getal, verdubbel het en tel er 5 bij op, dan krijg ik 17' als 2n + 5 = 17
- Lost een eenstaps vergelijking op zoals 3x = 24 en legt de redenering uit
- Zet een woordvraagstuk om in een algebraïsche vergelijking en vindt de onbekende waarde
Vraag eens aan je kind
Als je kind leest "ik denk aan een getal, verdubbel het en tel er 5 bij op, dan krijg ik 17," kan hij of zij dat dan opschrijven als een vergelijking met een letter voor de onbekende en die oplossen?
Eerst dit
- Rekenzinnen opschrijven Het opschrijven van algebraïsche uitdrukkingen bouwt voort op het opschrijven en interpreteren van rekenkundige uitdrukkingen
- Volgorde van bewerkingen Het oplossen van vergelijkingen vraagt om inzicht in de volgorde van bewerkingen
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Algebraïsche notatie Algebraïsche notatie bouwt voort op wat je kind eerder al leerde: het algebraïsch uitdrukken van sommen met een ontbrekend getal.
- Lineaire vergelijkingen oplossen Het oplossen van lineaire vergelijkingen bouwt voort op het werk met ontbrekende getallen uit KS2.
- Vergelijkingen met twee onbekenden Om paren te vinden die aan een vergelijking voldoen, moet je kind eerst overweg kunnen met algebraïsche uitdrukkingen.
- Gevorderde wiskundetaal Het onderscheid maken tussen een uitdrukking, vergelijking en formule vraagt om nauwkeurig gebruik van wiskundetaal.