Sociaal-emotionele ontwikkeling › Emoties begrijpen
groep 4 t/m 5richtlijnWoordenschat voor gevoelens
Een ruimere woordenschat voor gevoelens gebruiken dan de basisemoties, zoals gefrustreerd, bezorgd, angstig, beschaamd, jaloers, trots, teleurgesteld, dankbaar en eenzaam, en onderscheid maken tussen vergelijkbare gevoelens
Je kind beheerst dit als het...
- Minstens vijf gevoelswoorden naast de zes basisemoties gebruiken in het dagelijks taalgebruik
- Het verschil uitleggen tussen twee vergelijkbare gevoelens, zoals boos en gefrustreerd
- Een precies gevoelswoord kiezen dat past bij een beschreven situatie
Vraag eens aan je kind
Als je kind niet wordt uitgenodigd voor het feestje van een klasgenoot, kan hij of zij dan aangeven of dat teleurstelling, jaloezie, eenzaamheid of een combinatie daarvan is, in plaats van alleen 'verdrietig' te zeggen?
Eerst dit
- Basisemoties benoemen Een bredere woordenschat voor emoties bouwt voort op het kunnen benoemen van basisemoties
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Gemengde en tegenstrijdige gevoelens Om gemengde gevoelens te kunnen benoemen heeft je kind een ruimere woordenschat nodig voor tegenstrijdige gevoelens
- Je verplaatsen in een ander Je kunt je beter in een ander verplaatsen als je een grotere woordenschat voor gevoelens hebt
- Positieve zelfspraak Zelfspraak gaat makkelijker als je kind een ruimere woordenschat heeft om gevoelens te benoemen.