Rekenvoorstellingen met elkaar verbinden
Schakelen tussen alledaagse situaties, tekeningen en rekenzinnen, en uitleggen hoe deze voorstellingen met elkaar samenhangen (rekenkundig redeneren)
Je kind beheerst dit als het...
- Schrijft een rekenzin (bijvoorbeeld 14 + 5 = 19) die bij een vraagstuk past en legt het verband uit
- Tekent een strookdiagram of deel-geheelschema om een vraagstuk voor te stellen, en lost het daarmee op
- Vertaalt tussen een concrete voorstelling en een rekenzin, en beschrijft wat elk getal betekent
Vraag eens aan je kind
Kan je kind bij het oplossen van een vraagstuk een schema tekenen of een rekenzin opschrijven om de gedachtegang te laten zien, en daarna uitleggen hoe de tekening en de getallen overeenkomen met de echte situatie?
Eerst dit
- Rekenen met alledaagse situaties Wat je kind rond 6 tot 7 jaar leert over rekenkundig redeneren, bouwt voort op de vaardigheid van 5 tot 6 jaar om van concreet materiaal naar een voorstelling te gaan
- Optellen en aftrekken heffen elkaar op Om de relatie tussen optellen en aftrekken te begrijpen, moet je kind kunnen wisselen tussen verschillende voorstellingen van beide bewerkingen
- Rekentekens +, − en = lezen Om voorstellingen te koppelen aan rekenzinnen moet je kind vlot zijn met de tekens plus, min en is gelijk aan
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Breuken begrijpen Rekenkundig redeneren op 7-8 jarige leeftijd bouwt voort op wat je kind op 6-7 jarige leeftijd heeft geleerd