Rekenen › Optellen en aftrekken
groep 3richtlijnOptellen en aftrekken heffen elkaar op
Het omgekeerde verband tussen optellen en aftrekken herkennen en gebruiken om berekeningen te controleren en sommen met een ontbrekend getal op te lossen
Je kind beheerst dit als het...
- Controleert 15 + 7 = 22 door 22 − 7 = 15 uit te rekenen
- Gebruikt de omgekeerde bewerking om op te lossen: □ + 9 = 14, dus □ = 14 − 9 = 5
- Legt uit dat optellen en aftrekken elkaars tegenovergestelde zijn
Vraag eens aan je kind
Als je kind uitrekent dat 13 + 5 = 18, kan je kind dan meteen zeggen dat '18 − 5 = 13' is, zonder de aftreksom opnieuw helemaal uit te rekenen?
Eerst dit
- Het ontbrekende getal bij een optelling vinden Het begrip van optellen en aftrekken als omgekeerde bewerkingen bouwt voort op het zien van aftrekken als het zoeken van het ontbrekende getal in een optelsom.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Schatten door af te ronden Om antwoorden te controleren met de omgekeerde bewerking, moet je kind eerst begrijpen hoe die omgekeerde relatie werkt.
- Het onbekende getal bij optellen en aftrekken Sommen met een ontbrekend getal oplossen gaat beter als je kind de omgekeerde bewerking kent.
- Rekenvoorstellingen met elkaar verbinden Om de relatie tussen optellen en aftrekken te begrijpen, moet je kind kunnen wisselen tussen verschillende voorstellingen van beide bewerkingen