Percentages (vanaf 9 jaar)
De woorden kennen en gebruiken die te maken hebben met verhoudingen en proporties: verhouding, proportie, percentage, schaal, gelijkwaardig, ongelijk, relatieve grootte, deel-tot-deel, deel-tot-geheel en 'van de', en het verschil begrijpen tussen een verhouding (delen met elkaar vergelijken) en een proportie (een deel met het geheel vergelijken)
Je kind beheerst dit als het...
- Het verschil tussen een 'verhouding' en een 'proportie' uitleggen met een concreet voorbeeld, zoals het mengen van verf
- 'Procent' correct gebruiken en in een context breuken, decimale getallen en percentages in elkaar omzetten
- Uitleggen wat een 'schaalfactor' is en hiermee beschrijven hoe een vorm is vergroot of verkleind
Vraag eens aan je kind
Als je kind iets op 3 manieren en op 2 manieren moet verdelen, kan hij of zij dan het verschil uitleggen tussen een verhouding (zoals 3:2) en een proportie (zoals 3 van de 5), en zo laten zien dat hij of zij weet wat beide woorden betekenen?
Daarna verder met
- Breuken begrijpen Bij ongelijk verdelen heeft je kind woorden nodig zoals 'verhouding', 'ongelijk', 'deel-deel' en 'evenredigheid'.
- Percentages berekenen Percentages van hoeveelheden berekenen vereist dat je kind de woorden 'percentage', 'verhouding' en 'van de' kent
- Schaal en gelijkvormige vormen Voor gelijkvormige figuren en schaal moet je kind de begrippen 'schaal', 'gelijkwaardig' en 'verhouding' kennen.
- Verhoudingsvraagstukken Om vraagstukken over relatieve groottes op te lossen, moet je kind de begrippen 'verhouding', 'evenredigheid' en 'relatieve grootte' kennen.