Natuur en techniek › Ecosystemen en leefgebieden
groep 3 t/m 4richtlijnWoordenschat over leefgebieden
Noemt en gebruikt vaktermen voor waar levende wezens voorkomen, zoals leefgebied, omgeving, micro-leefgebied, omstandigheden, bos, oceaan, woestijn, regenwoud en vijver, en gebruikt termen om te beschrijven wat dieren nodig hebben om te overleven: voedsel, water, beschutting, ruimte en geschikte omstandigheden
Je kind beheerst dit als het...
- Koppelt dieren aan hun leefgebied en legt de koppeling uit met woorden als 'aangepast aan', 'omstandigheden' of 'beschutting'
- Gebruikt de termen 'leefgebied' en 'micro-leefgebied' correct om verschillende schaalniveaus van omgeving te beschrijven, met voorbeelden
- Noemt minstens drie sterk verschillende leefgebieden en beschrijft wat elk daarvan kenmerkt
Vraag eens aan je kind
Kan je kind uitleggen waarom een ijsbeer niet zou overleven in een regenwoud, met gebruik van het woord 'leefgebied' of 'omstandigheden' in plaats van alleen 'het is te warm'?
Daarna verder met
- Leefgebieden en basisbehoeften Om te kunnen uitleggen hoe een leefgebied in de basisbehoeften van dieren voorziet, heeft je kind eerst woorden nodig zoals leefgebied, omgeving, omstandigheden en schuilplaats.
- Planten en dieren uit de buurt Om planten en dieren in leefgebieden en microleefgebieden te kunnen benoemen, moet je kind deze termen kennen
- Veranderende leefomgevingen Om te kunnen bespreken hoe omgevingen veranderen en gevaarlijk kunnen worden, heeft je kind woorden nodig voor leefgebieden en omstandigheden.