Natuur en techniek › Ecosystemen en leefgebieden
groep 3 t/m 4richtlijnPlanten en dieren uit de buurt
Verschillende planten en dieren herkennen en benoemen in hun leefgebied, ook in microleefgebieden zoals onder een boomstam of in een vijver
Je kind beheerst dit als het...
- Noemt minstens drie dieren en planten die in een bepaald leefgebied in de buurt voorkomen
- Legt uit wat een microleefgebied is (een heel klein leefgebied binnen een groter leefgebied)
- Beschrijft de omstandigheden in zo'n microleefgebied (bijvoorbeeld: 'onder een steen is het vochtig en donker, dat vinden pissebedden fijn')
Vraag eens aan je kind
Als je samen met je kind een boomstam in de tuin omdraait, kan hij of zij dan de beestjes benoemen die jullie vinden en uitleggen waarom ze daar leven?
Eerst dit
- Leefgebieden en basisbehoeften Je kind moet eerst begrijpen wat een leefgebied is voordat het specifieke planten en dieren in leefgebieden en microleefgebieden kan herkennen
- Woordenschat over leefgebieden Om planten en dieren in leefgebieden en microleefgebieden te kunnen benoemen, moet je kind deze termen kennen
- Dieren van het regenwoud Kennis van regenwouddieren verrijkt het herkennen van planten en dieren in leefgebieden (verkennend op 5-jarige leeftijd, onderdeel van het curriculum vanaf 6 jaar)
- Getijdenpoelen als leefgebied Getijdenpoelen zijn een microleefgebied, en het helpt als je kind al planten en dieren in leefgebieden kan benoemen
- Leefgebieden van minibeestjes Weten waar kleine beestjes leven verrijkt het onderdeel over planten en dieren in leefgebieden
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Levende wezens indelen in groepen Je kind moet eerst organismen in hun leefgebied herkennen voordat het ze kan groeperen op zichtbare kenmerken.