Praktische vaardigheden › Ondernemerschap
groep 2 t/m 3richtlijnKopers en verkopers
Wie iets maakt of heeft, kan het verkopen; wie iets wil hebben, kan het kopen: een kennismaking met ruilen en handelen
Je kind beheerst dit als het...
- Kan uitleggen wat een koper doet en wat een verkoper doet
- Kan samen met iemand anders een eenvoudige koop- en verkooptransactie naspelen
- Kan een keer beschrijven waarop hij of zij, of iemand uit het gezin, iets kocht van een persoon (marktkraam, rommelmarkt, taartenverkoop)
Vraag eens aan je kind
Als je kind een kraampje zou hebben op een schoolfeest, zou hij of zij dan kunnen uitleggen wie de kopers en verkopers zijn en wat ieder doet?
Eerst dit
- Producten en diensten Je kind moet eerst weten wat producten en diensten zijn, voordat het begrijpt hoe kopen en verkopen werkt.
- Wat geld is Vakoverstijgend: begrijpen wat geld is (uit het onderdeel geld en financiën) helpt je kind te snappen hoe ruilen werkt.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Iets maken om te verkopen Je kind moet eerst begrijpen wat ruilen inhoudt, voordat het iets maakt om te verkopen.
- Kosten en omzet Om het begrip inkomsten te snappen, moet je kind eerst begrijpen hoe kopen en verkopen werkt.
- Wie is een klant? Je kind moet eerst weten wat kopers en verkopers zijn, voordat het dieper ingaat op het begrip klant.