Praktische vaardigheden › Ondernemerschap
groep 4 t/m 5richtlijnKosten en omzet
Iets maken kost geld (kosten); iets verkopen levert geld op (omzet); is de omzet hoger dan de kosten, dan is er winst; zijn de kosten hoger, dan is er verlies
Je kind beheerst dit als het...
- Kan met een eenvoudig voorbeeld uitleggen wat kosten, omzet en winst betekenen
- Kan de winst berekenen bij een gegeven voorbeeld (bijvoorbeeld: €3 uitgegeven aan ingrediënten, taarten verkocht voor €8, winst = €5)
- Kan uitleggen wat er gebeurt als de kosten hoger zijn dan de omzet (dan is er verlies)
Vraag eens aan je kind
Als je kind €4 zou uitgeven aan spullen voor een limonadekraampje en €10 zou verdienen met het verkopen van limonade, zou hij of zij jou dan kunnen vertellen hoeveel winst er gemaakt is?
Eerst dit
- Een eenvoudig plan maken Voordat je kind leert over kosten en inkomsten, moet het eerst begrijpen wat plannen betekent.
- Kopers en verkopers Om het begrip inkomsten te snappen, moet je kind eerst begrijpen hoe kopen en verkopen werkt.
- Wisselgeld berekenen Vakoverstijgend: het teruggeven van wisselgeld (uit geldrekenen) helpt bij het berekenen van winst.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Een bedrijf laten groeien Je kind moet eerst kosten en inkomsten begrijpen voordat het de uitdagingen van het laten groeien van een bedrijf kan doorgronden.
- Productieketens Je kind moet het begrip kosten snappen voordat het kan zien hoe elke stap in een toeleveringsketen extra kosten toevoegt.