Experimentele kans
De uitkomsten van kansexperimenten noteren, beschrijven en analyseren om te begrijpen dat de relatieve frequentie een schatting is van de kans
Je kind beheerst dit als het...
- Een muntje opgooien, de resultaten noteren in een frequentietabel en de relatieve frequenties berekenen
- Experimentele resultaten vergelijken met de theoretische kans en verschillen verklaren
- Voorspellen dat de relatieve frequentie steeds dichter bij de theoretische kans komt naarmate je vaker herhaalt
Vraag eens aan je kind
Als je kind een dobbelsteen 60 keer gooit en de resultaten noteert, kan hij of zij dan vergelijken hoe vaak elk getal viel met wat je in theorie zou verwachten, en uitleggen waarom dit niet precies hoeft te kloppen?
Eerst dit
- De kansschaal Om experimentele kansberekening te begrijpen, moet je kind eerst de kansschaal van 0 tot 1 kennen.
- Experimenteel versus theoretisch De formele KS3-analyse van experimentele kansberekening met frequenties bouwt voort op het werk over gedrag op de lange termijn dat op 10 tot 11-jarige leeftijd is geïntroduceerd.
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Boomdiagrammen Theoretische kansberekening bouwt voort op ervaring met experimentele kansberekening.