Natuur en techniek › Organismen en levensprocessen
groep 2 t/m 3richtlijnWoordenschat levende wezens
Benoemen en gebruiken van woorden die aangeven wat iets levend maakt: levend, dood, nooit levend geweest, beweging, voeding, groei, voortplanting, prikkelbaarheid, uitscheiding, en deze termen toepassen bij het indelen van dingen en het uitleggen waarom planten en dieren levende wezens zijn
Je kind beheerst dit als het...
- Deelt dingen correct in als levend, dood of nooit levend geweest, en geeft daarbij een reden met een van de woorden voor levensprocessen
- Noemt minstens vijf levensprocessen met de juiste woorden
- Legt uit waarom een plant leeft, met minstens twee woorden voor levensprocessen
Vraag eens aan je kind
Kan je kind uitleggen waarom een steen niet leeft maar onkruid wel, met een vakterm zoals 'voeding' of 'groei', in plaats van gewoon te zeggen 'het beweegt'?
Daarna verder met
- Levend, dood en nooit levend geweest Om levende, dode en nooit-levende dingen te vergelijken en te beargumenteren waarom, heeft je kind woorden voor levensprocessen nodig
- Wat levende wezens nodig hebben Om te beschrijven wat planten en dieren nodig hebben om te overleven, heeft je kind woorden nodig zoals voeding, groei en prikkelbaarheid