Woorden voor kans
Gebruikt woorden als zeker, waarschijnlijk, evenveel kans, onwaarschijnlijk en onmogelijk om de kans op alledaagse gebeurtenissen te beschrijven en te vergelijken
Je kind beheerst dit als het...
- Plaatst vijf alledaagse gebeurtenissen (bijvoorbeeld 'de zon komt morgen op', 'het gaat sneeuwen in juli', 'ik gooi kop') op een schaal van onmogelijk tot zeker
- Gebruikt de woorden 'waarschijnlijk', 'onwaarschijnlijk', 'zeker', 'onmogelijk' en 'evenveel kans' op de juiste manier om verschillende gebeurtenissen te beschrijven
- Legt uit waarom het trekken van een rode bal uit een zak met vooral rode ballen 'waarschijnlijk' is, maar niet 'zeker'
Vraag eens aan je kind
Gebruikt je kind woorden als 'zeker', 'waarschijnlijk', 'onwaarschijnlijk' en 'onmogelijk' op de juiste manier, bijvoorbeeld door te weten dat een 7 gooien met een gewone dobbelsteen onmogelijk is, maar een even getal gooien waarschijnlijk?
Daarna verder met
- Eenvoudige kansexperimenten Om kansexperimenten uit te voeren en de uitkomsten te beschrijven, moet je kind eerst de woorden kennen waarmee je kansen beschrijft.
- Kansen op volgorde zetten Kansen vergelijken en ordenen vereist dat je kind eerst de woorden voor waarschijnlijkheid kent (zeker, waarschijnlijk, onwaarschijnlijk, onmogelijk).