Natuur en techniek › Organismen en levensprocessen
groep 5 t/m 6richtlijnWoorden over overerving
Woorden gebruiken die te maken hebben met variatie en overerving, zoals overgeërfde eigenschap, aangeleerde eigenschap, variatie, nakomeling, kenmerk, soort, ras, genetisch en omgeving, en deze toepassen bij het vergelijken van organismen en het uitleggen van overeenkomsten en verschillen binnen en tussen soorten
Je kind beheerst dit als het...
- Het verschil uitleggen tussen overgeërfde en aangeleerde eigenschappen, met een kloppend voorbeeld van elk
- Het woord 'variatie' correct gebruiken om verschillen binnen een soort te beschrijven en uitleggen waar die variatie vandaan komt
- De woorden 'nakomeling', 'soort' en 'kenmerk' correct gebruiken in een geschreven beschrijving van levende wezens
Vraag eens aan je kind
Kan je kind uitleggen waarom kinderen op hun ouders lijken maar niet precies hetzelfde zijn, met woorden als 'overgeërfd' of 'variatie'?
Daarna verder met
- Eigenschappen: erfelijk en omgeving Om onderscheid te maken tussen invloeden van de omgeving en genetische invloeden op eigenschappen, heeft je kind de begrippen 'erfelijk', 'verworven' en 'genetisch' nodig.
- Overgeërfde eigenschappen Om gegevens over overerfbare eigenschappen te analyseren, heeft je kind de begrippen 'overerfbare eigenschap', 'variatie' en 'nakomelingen' nodig.
- Variatie en overlevingsvoordeel Om uit te kunnen leggen hoe variatie een overlevingsvoordeel biedt, heeft je kind de woorden 'variatie', 'soort' en 'eigenschap' nodig.