Engels › Engelse grammatica en interpunctie
groep 8 en verderrichtlijnStandaardengels
Het verschil kennen tussen spreektaal en schrijftaal, zoals in formaliteit, taalregister, grammatica en woordkeuze, en tussen Standaardengels en andere vormen van het Engels, en dit Standaardengels vol vertrouwen gebruiken in geschrift en spraak.
Je kind beheerst dit als het...
- Legt drie verschillen uit tussen informeel spreken en formeel schrijven (bijvoorbeeld samentrekkingen, straattaal en volledige zinnen)
- Herkent kenmerken van Standaardengels en legt uit waarom dit in formele situaties wordt gebruikt
- Herschrijft een informele gesproken tekst (bijvoorbeeld een appje) in formeel geschreven Standaardengels
Vraag eens aan je kind
Begrijpt je kind dat de manier waarop hij of zij met vrienden praat anders is dan hoe hij of zij op school hoort te schrijven, en kan je kind zijn of haar taalgebruik aanpassen aan formele situaties, met de juiste grammatica en woordkeuze?
Eerst dit
- Formele woordkeuze Aanvoelen welke woorden gepast zijn, bouwt voort op het onderscheid tussen formeel en informeel taalgebruik dat je kind al eerder heeft geleerd
Gevulde stip: nodig. Open stip: handig, maar niet verplicht.
Daarna verder met
- Formeel spreken en presenteren Vloeiend en zelfverzekerd Standaardengels spreken vereist inzicht in de verschillen tussen gesproken en geschreven taal.